Wolven zijn lange-afstandlopers. Zij kunnen in één nacht wel 100 km afleggen! In een sprint kunnen ze over de 60 km/uur halen, maar dit houden ze hooguit enkele kilometers vol.
Ze jagen op groot wild. Kariboes, (witstaart)herten, wilde zwijnen, reeën. Maar ze eten ook klein wild zoals konijnen en zelfs woelmuizen zijn in sommige jaargetijden zeer gewild. Maar ook een fazant en af en toe een forelletje staan op het menu.
Zeker om de grote prooidieren te kunnen doden is werken en jagen in roedelverband van levensbelang. Vergis je niet in een eland! Als een eland met zijn hoeven slaat of zich omdraait en zijn gewei gebruikt, zal een roedel wolven liever verder zoeken naar een zwakkere prooi of een die blijft vluchten. Ze kunnen het zich niet veroorloven om gewond te raken. Met een gebroken poot kun je niet jagen en zul je niet overleven. Beter is het om de energie te gebruiken voor een prooi die zwak, ziek of oud is. Wolven, net als alle roofdieren, hebben hier een goed oog voor. Maar ook hele jonge dieren vallen vaak ten prooi.
Wolven zijn teengangers, net als honden. Ze lopen als het ware op hun
tenen. Op 4 tenen per poot eigenlijk. Ongeveer 10 cm boven de grond zit bij de voorpoten nog een nagel. Dat is een overblijfsel van de duim. Bij de achterpoten is dit reeds helemaal verdwenen. Bij sommige hondensoorten komt zo’n overblijfsel nog wel af en toe voor (bij enkele rassen is het zelfs een raskenmerk). Dit wordt de wolfsklauw genoemd, of St. Hubertusklauw. Vreemd eigenlijk want bij wolven is dit bij mijn weten nooit waargenomen.